2. Geschiktheid NEM voor ANLb-beleidsmonitoring
Het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM) is eind vorige eeuw opgezet om de natuur-informatievoorziening af te stemmen op de informatiebehoefte van de Rijksoverheid. De belangrijkste meetdoelen waren en zijn nog steeds de rapportages aan de EU in het kader van de Vogel- en Habitatrichtlijn. De focus lag vooral op de behoefte aan landelijke trends van soorten. De monitoringmeetnetten waarmee de informatie wordt ingewonnen zijn waar mogelijk echter zo ingericht dat ook andere meetdoelen bediend kunnen worden. Dat betekent bijvoorbeeld dat ten behoeve van de landelijke trends van soorten geprobeerd wordt om in ieder geval meetpunten in Natura 2000-gebieden te leggen, zodat in een aantal gevallen (met name voor vogels) ook op gebiedsniveau uitspraken kunnen worden gedaan.
In het kader van het NEM worden jaarlijks in duizenden meetpunten broedvogels geteld; voor amfibieën en vissen worden honderden kilometerhokken geïnventariseerd; de groene glazenmaker wordt gemonitord op tientallen vaste telroutes. Voor een deel wordt deze monitoring uitgevoerd in agrarisch gebied. Het lag bij de start van het ANLb dan ook voor de hand om de beleidsmonitoring zoveel mogelijk te baseren op de meetpunten van het NEM.
Tijdens de trendanalyses van de afgelopen jaren blijkt echter steeds duidelijker dat de ANLb-beleidsmonitoring een type toepassing is waarmee bij de inrichting van het NEM nooit rekening is gehouden. Dat komt vooral naar voren in deze twee kenmerken van de ANLb-beleidsmonitoring:
- Een meetpunt van het NEM overlapt meestal maar ten dele met de toegepaste ANLb-maatregelen.
De toekenning van meetpunten aan ANLb of REF (referentie = regulier agrarisch beheer) gebeurt door de soortenorganisaties. Voor zover het CBS daar zicht op heeft lijken veel bestaande NEM-meetpunten ondanks overlap met ANLb toch niet geschikt voor de beleidsmonitoring. Wanneer een broedvogelmeetpunt of wintervogelmeetpunt in agrarisch gebied overlap vertoont met uitgevoerd ANLb-beheer in een bepaald jaar, dan gaat het in veel gevallen (voor broedvogels bijvoorbeeld ruim 50% van de meetpunten) om minder dan 10% van de agrarische oppervlakte van het meetpunt, waardoor het meetpunt afvalt.
Bij amfibieën en vissen is de meeteenheid een km-hok met vier voor de doelsoorten geschikte locaties, waarbij op basis van de ligging van deze locaties ten opzichte van uitgevoerde ANLb-maatregelen het hele km-hok wordt toegewezen aan ANLb of REF. Bij de NEM-watervogeltellingen is de toewijzing aan ANLb vrijwel onmogelijk omdat het doorgaans enorm grote telgebieden betreft met slechts weinig ANLb terwijl de vogels zich vrij bewegen door het gebied en daarbuiten. Dat laatste geldt ook voor veel terrestrische wintervogels, die daardoor niet goed te monitoren zijn met de Punt Transect Tellingen (PTT), des te meer voor soorten die ’s winters groepen vormen. Voor de groene glazenmaker zijn de telroutes misschien nog het ‘zuiverst’ toe te wijzen aan ANLb of REF: een route wordt toegekend aan ANLb als op de route (een smalle strook langs en op het water) een ANLb-pakket is afgesloten. - De meetpunten van het NEM liggen voor veel soorten niet goed verspreid over gebieden mét en zónder ANLb-maatregelen.
Voor amfibieën en vissen was het in de eerste jaren een uitdaging om voldoende geschikte meetpunten te vinden, met name hokken zonder ANLb. Door de grootte van de NEM-meetpunten (km-hokken) was er al snel een overlap met ANLb-maatregelen, waardoor het meetpunt niet als referentiepunt kon dienen. Voor de vogelmeetnetten was het juist moeilijk om voldoende ANLb-meetpunten te vinden. Ondanks de grote hoeveelheid agrarische NEM-meetpunten, blijken deze vaak nauwelijks ANLb-maatregelen te bevatten, waardoor het criterium om een meetpunt aan ANLb toe te kennen erg scherp gesteld moest worden, i.e. slechts minimaal 10% ANLb-beheer (naast maximaal 5% NNN, wat ook voor REF toekenning geldt). Meetpunten met te weinig ANLb vallen af (zie hierboven), maar kunnen ook niet als REF-meetpunt dienen.
Daarnaast helpt de focus op ANLb-doelsoorten op de VR- en HR-bijlages niet mee, want deze soorten komen minder voor in regulier beheerd agrarisch gebied en/of zijn überhaupt te zeldzaam voor trendberekening. Voor de wintervogels speelt ook nog dat weinig ANLb winterpakketten worden uitgevoerd, waardoor alleen door toevoeging van broedvogelpakketten PTT-telpunten aan het 10% ANLb-toekenningscriterium kunnen voldoen. Dit resulteert in tweemaal zoveel REF plots als ANLb plots die beschikbaar zijn voor de analyses. Dat aantal neemt nog verder af: plots worden niet ieder jaar geteld. In het broedvogelmeetnet werd slechts de helft van zowel ANLb als REF plots minimaal 2 jaar geteld en een derde helemaal niet gedurende 2016-2022.
Waarom is er dan toch voor gekozen om de beleidsmonitoring in te richten op basis van het NEM? De belangrijkste reden was budgettair: waarom dure nieuwe monitoring inrichten terwijl er een uitgebreid netwerk van de overheid beschikbaar is? Daar kwam bij dat het NEM al eerder was gebruikt om de effectiviteit van agrarisch natuurbeheer in het kader van de SAN (Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer) te beoordelen. De verwachting was dan ook positief. Bij de start van het ANLb was echter nog niet bekend dat de uitgevoerde ANLb-maatregelen zo slecht zouden overlappen met NEM-meetpunten.
Een mogelijkheid om de NEM-meetpunten beter aan te laten sluiten op het ANLb is om de bestaande meetpunten opnieuw te omgrenzen. Voor broedvogels is dat een bewerkelijke stap, maar niet onmogelijk. Voor amfibieën en vissen biedt analyse op locatieniveau mogelijk perspectief. Maar ook met een betere overlap van NEM-meetpunten met ANLb-maatregelen zal een vergelijking tussen ANLb- en REF-meetpunten alleen zinvol zijn bij vergelijkbare representativiteit van beide sets meetpunten. Een zogenaamde gepaarde opzet zou hierbij erg nuttig kunnen zijn, maar deze bleek bij het opzetten van de ANLb-meetnetten niet mogelijk.