4. Seizoenspatronen
Om goede zeevogeltrends te berekenen is het van belang dat de tweemaandperioden waarin soorten het meest voorkomen goed worden bemonsterd. De grote jager is bijvoorbeeld niet goed vertegenwoordigd in de data voor de Bruine Bank. Het zou kunnen dat deze soort op het gehele NCP vrij zeldzaam is, of dat relevante perioden niet goed bemonsterd worden.
Om voor alle soorten (niet alleen de VR-soorten) op het gehele NCP inzichtelijk te maken wat de abundantie is en welke tweemaandperioden het meest relevant zijn, zijn de gemiddelde aantallen van de soorten per grid berekend voor elke tweemaandperiode sinds de start van het MWTL-monitoringprogramma in 1991 (Figuur 4.1). De gegevens voor alk en zeekoet, visdief en noordse stern, en roodkeelduiker en parelduiker zijn gecombineerd voor alle jaren, aangezien van 1991-2013, toen het vliegtuig nog hoger vloog, deze soorten beperkt onderscheiden konden worden.
4.1 Gemiddelde aantallen per tweemaandperiode per 5x5 km grid van alle soorten op het gehele NCP van telseizoen 1991-2023. De VR-soorten zijn dikgedrukt.
Uit de analyse blijkt dat de soorten verschillende piekperiodes kennen op het NCP. Zo bereiken de meeste soorten hun piek in jan/feb en nov/dec, namelijk de noordse stormvogel, papegaaiduiker, roodkeelduiker/parelduiker, en stormmeeuw in jan/feb, en de kleine alk, grote mantelmeeuw, drieteenmeeuw en alk/zeekoet in nov/dec. In zowel jul/aug als sept/okt bereiken drie soorten hun piek, namelijk de visdief/noordse stern, grote jager en grote stern in jul/aug, en de kokmeeuw, jan-van-gent en zilvermeeuw in sep/okt. In het voorjaar bereiken de minste soorten hun piek, de aalscholver en de kleine mantelmeeuw in mei/jun en alleen de dwergmeeuw in mrt/apr.
Er is ook duidelijk verschil te zien in de gemiddelde aantallen waarin soorten voorkomen, wat waarschijnlijk gevolgen heeft voor de zekerheid van trends. Zo zijn de aantallen van de grote jager het laagst op het NCP, gevolgd door de papegaaiduiker. De meest abundante soorten zijn de alk/zeekoet, kleine mantelmeeuw en zilvermeeuw. Ook de verdeling van de aantallen door de seizoenen verschilt sterk per soort, sommige soorten zoals de jan-van-gent en drieteenmeeuw, zijn het hele jaar wel te vinden op het NCP, terwijl de dwergmeeuw eigenlijk alleen voorkomt in mrt/apr. De extra tellingen vinden in die periode plaats, en door deze niet mee te nemen schoot de SE van de trend van deze soort omhoog (Figuur 3.10).
Conclusie deelvraag 2
Voor de meeste soorten voldoen de periodes van de huidige meetstrategie om trends te kunnen berekenen. Op gebiedsniveau is het nog meer van belang dat de juiste periodes worden geselecteerd voor de VR-soorten om zo voldoende observaties te garanderen. Sinds 2014 wordt sep/okt niet meer bemonsterd, terwijl vrijwel alle VR-soorten in die periode ook relatief talrijk zijn. De betrouwbaarheid van de trends van in het bijzonder de grote jager, maar ook de jan-van-gent en de grote mantelmeeuw zou verbeterd kunnen worden als deze periode ook bemonsterd zou worden.