De Nederlandse economie in 2020
De belangrijkste economische ontwikkelingen in het coronajaar 2020.Over deze publicatie
De Nederlandse economie” is een reeks artikelen waarin actuele macro-economische fenomenen worden beschreven en geduid. De artikelen zijn grotendeels gebaseerd op de uitkomsten van de nationale rekeningen. Deze editie gaat over de belangrijkste economische ontwikkelingen van het coronajaar 2020.
Samenvatting
De krimp in 2020 is voor drie kwart terug te voeren op de teruggelopen bestedingen van consumenten. Vooral aan diensten gaven ze minder uit. Ook de investeringen en het handelssaldo waren aanzienlijk lager dan een jaar eerder. De teruggelopen bestedingen van de consumenten aan diensten gingen samen met een ongekende krimp van de toegevoegde waarde in bedrijfstakken met veel intermenselijke contacten, zoals de horeca, vervoer, recreatie, sport en cultuur.
Met een uitgebreid steunbeleid wilde de overheid zoveel mogelijk mensen aan het werk houden en voorkomen dat er op grote schaal bedrijven zouden omvallen. Het aantal faillissementen van bedrijven lag in 2020 op het laagste niveau van deze eeuw en ook bleef de afname van de werkgelegenheid beperkter dan tijdens de vorige crisis.
Volgens de CBS-conjunctuurklokindicator verkeert de Nederlandse economie al bijna een jaar in laagconjunctuur. De export is begin 2021 weer op het peil van voor corona, maar de onzekerheid en de contactbeperkende maatregelen werken nog steeds nadelig uit op de investeringen en vooral de consumptie door huishoudens. Het vertrouwen van de industrie is begin 2021 weer positief en de productie weer op het niveau van voor corona.
1. Inleiding
Allereerst zal de ontwikkeling van de Nederlandse economie in 2020 in grote lijnen worden geschetst aan de hand van het bbp. Vervolgens wordt deze ontwikkeling afgezet tegen ontwikkelingen in eerdere jaren en in paragraaf 3 ook tegen die van verschillende buitenlandse economieën. In paragraaf 4 wordt vervolgens dieper ingegaan op de bestedingscategorieën, in het bijzonder op de particuliere consumptie.
Daarna wordt in paragraaf 5 ingezoomd op de ontwikkeling van het bedrijfsleven aan de hand van de toegevoegde waarde, winsten en faillissementen. Vervolgens wordt kort de arbeidsmarkt behandeld. De ontwikkeling van de cao-lonen, de inflatie en de woningmarkt komt aan bod in paragraaf 7. Het artikel wordt afgesloten met het huidige conjunctuurbeeld en een doorkijkje naar het lopende jaar op basis van maandindicatoren en vertrouwensindicatoren van consumenten en producenten.
2. Economische groei
De economische ontwikkelingen in 2020 hingen veelal samen met de ontwikkeling van de coronapandemie. Met grote steunpakketten heeft de Nederlandse overheid geprobeerd om de economische schade te beperken. Dit heeft niettemin in Nederland geleid tot een historische krimp van het bruto binnenlands product (bbp) van 3,7 procent.
De economische krimp in 2020 was even groot als in 2009. Toen werd de krimp veroorzaakt door de in de zomer van 2007 ontstane kredietcrisis. Voor 2009 werd de grootste krimp van de economie gemeten in 1931, in het beginstadium van de Grote Depressie. Toen kromp de Nederlandse economie met 3,6 procent. De omvang van de economische krimp tijdens de Tweede Wereldoorlog is niet bekend.
Jaar | Bbp (% verandering t.o.v. een jaar eerder) |
---|---|
2001 | 2,3 |
2002 | 0,2 |
2003 | 0,2 |
2004 | 2 |
2005 | 2,1 |
2006 | 3,5 |
2007 | 3,8 |
2008 | 2,2 |
2009 | -3,7 |
2010 | 1,3 |
2011 | 1,6 |
2012 | -1 |
2013 | -0,1 |
2014 | 1,4 |
2015 | 2 |
2016 | 2,2 |
2017 | 2,9 |
2018 | 2,4 |
2019 | 1,7 |
2020 | -3,7 |
De economische krimp was in 2020 niet overal in Nederland even groot. In de regio’s Haarlemmermeer en Amsterdam kromp de economie in 2020 het hardst met respectievelijk circa 18 en circa 7 procent. Haarlemmermeer is voor een groot deel afhankelijk van de luchtvaart en de daaraan gerelateerde dienstverlening. In Amsterdam hebben de reisbemiddeling en horeca een groot aandeel. Deze bedrijfstakken zijn in 2020 flink geraakt door de coronacrisis. In de regio Overig Groningen zorgde de verminderde gaswinning voor een krimp van ongeveer 6 procent. In regio’s met een minder grote aanwezigheid van zwaar getroffen bedrijfstakken was de economische klap ook minder groot. Zo kromp de economie in Delfzijl met ongeveer 1 procent, mede door de aanwezigheid van enkele goed presterende industriële branches.
Regio_naam | BBP (%) |
---|---|
Oost-Groningen | -2 |
Delfzijl e.o. | -1 |
Overig Groningen | -6 |
Noord-Friesland | -4 |
Zuidwest-Friesland | -3 |
Zuidoost-Friesland | -3 |
Noord-Drenthe | -3 |
Zuidoost-Drenthe | -4 |
Zuidwest-Drenthe | -3 |
Noord-Overijssel | -3 |
Zuidwest-Overijssel | -3 |
Twente | -3 |
Veluwe | -2 |
Achterhoek | -3 |
Aggl. Arnhem/Nijmegen | -3 |
Zuidwest-Gelderland | -2 |
Utrecht-West | -2 |
Stadsgewest Amersfoort | -3 |
Stadsgewest Utrecht | -3 |
Zuidoost-Utrecht | -2 |
Kop van Noord-Holland | -2 |
Alkmaar e.o. | -4 |
IJmond | -5 |
Agglomeratie Haarlem | -4 |
Zaanstreek | -2 |
Amsterdam | -7 |
Overig Agglomeratie Amsterdam | -3 |
Edam-Volendam e.o. | -3 |
Haarlemmermeer e.o. | -18 |
Het Gooi en Vechtstreek | -3 |
Agglomeratie Leiden en Bollenstreek | -3 |
Agglomeratie 's-Gravenhage (Excl. Zoetermeer) | -2 |
Zoetermeer | -3 |
Delft en Westland | -2 |
Oost-Zuid-Holland | -2 |
Rijnmond | -3 |
Overig Groot-Rijnmond | -2 |
Drechtsteden | -2 |
Overig Zuidoost-Zuid-Holland | -3 |
Zeeuwsch-Vlaanderen | -2 |
Overig Zeeland | -3 |
West-Noord-Brabant | -2 |
Midden-Noord-Brabant | -4 |
Stadsgewest �s-Hertogenbosch | -2 |
Overig Noordoost-Noord-Brabant | -2 |
Zuidoost-Noord-Brabant | -3 |
Noord-Limbug | -4 |
Midden-Limburg | -3 |
Zuid-Limburg | -4 |
Almere | -2 |
Flevoland-Midden | -3 |
Noordoostpolder en Urk | -3 |
3. Internationaal
De krimp van de Nederlandse economie in 2020 was kleiner dan in de ons omringende landen (België, Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk) en ook kleiner dan gemiddeld in de Europese Unie. Van alle EU-lidstaten kromp alleen de economie in Polen, Finland, Zweden, Denemarken en de Baltische staten minder hard. Ierland is het enige EU-land met een groei in 2020. Dat is voor het grootste deel toe te schrijven aan de export van medisch materiaal, farmaceutische producten en ICT door multinationals. Hierdoor kon een krimp van de binnenlandse bestedingen worden gecompenseerd. Economieën als Spanje en Italië, waar sectoren zoals toerisme, recreatie en horeca een relatief groot aandeel hebben, zijn zwaarder geraakt dan economieën waar dit niet het geval is.
Volgens DNB (jaarverslag 2020, maart 2021) hangt de relatief kleine Nederlandse economische krimp waarschijnlijk samen met het feit dat de contactbeperkende maatregelen in Nederland tijdens de eerste coronagolf in het tweede kwartaal minder streng waren, de Nederlandse economie minder afhankelijk is van toerisme en de Nederlandse overheid relatief snel heeft gehandeld met het treffen van noodmaatregelen voor bedrijven en werkenden. Tevens viel de economische schade mogelijk mee doordat de digitalisering in Nederland bovengemiddeld is en al voor de pandemie behoorde tot de voorhoede wat telewerken en online-winkelen betreft.
Van de drie grote economische blokken kromp de economie in de EU het hardst. Gemiddeld was de omvang van de economie in de EU 6,2 procent kleiner dan in 2019. De krimp in de Verenigde Staten was met 3,5 procent kleiner. China noteerde wel een groei van ruim 2 procent, maar dit was de laagste groei in ruim veertig jaar.
Land | Groei (%) |
---|---|
Ierland | 3,4 |
Litouwen | -0,8 |
Noorwegen | -0,8 |
Luxemburg | -1,3 |
Polen | -2,7 |
Finland | -2,8 |
Zweden | -2,8 |
Estland | -2,9 |
Zwitserland | -2,9 |
Denemarken | -3,3 |
Letland | -3,6 |
Nederland | -3,8 |
Romenië | -3,9 |
Bulgarije | -4,2 |
Duitsland | -4,9 |
Hongarije | -5 |
Cyprus | -5,1 |
Slowakije | -5,2 |
Slovenië | -5,5 |
Tsjechië | -5,6 |
België | -6,4 |
Oostenrijk | -6,6 |
Ijsland | -6,6 |
Malta | -7 |
Portugal | -7,6 |
Frankrijk | -8,1 |
Griekenland | -8,2 |
Kroatië | -8,4 |
Italië | -8,9 |
Verenigd Koninkrijk | -9,9 |
Spanje | -11 |
China | 2,3 |
VS | -3,5 |
EU27 | -6,2 |
Bron: CBS, Eurostat |
In vrijwel alle landen maakte de economie in 2020 eenzelfde soort ontwikkeling door. Het begon met een bescheiden krimp in het eerste kwartaal van 2020, gevolgd door een uitzonderlijke klap in het tweede kwartaal en een even uitzonderlijk herstel in het derde kwartaal. In het vierde kwartaal stabiliseerde de ontwikkeling enigszins.
Vooral in het tweede kwartaal dreven de economieën van de diverse landen uit elkaar. In het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk kreeg de economie de grootste klap. Over het algemeen geldt dat in de landen waar de economie in de eerste twee kwartalen het sterkst kromp, het herstel in het derde kwartaal ook het sterkst was. Hierdoor kwamen de landen in derde kwartaal weer een stuk dichter bij elkaar dan in het tweede kwartaal, hoewel in de meeste gevallen de achterstand niet meer helemaal goed werd gemaakt.
VK (2019-IV=100) | België (2019-IV=100) | Frankrijk (2019-IV=100) | EU27 (2019-IV=100) | Duitsland (2019-IV=100) | Ned (2019-IV=100) | Zweden (2019-IV=100) | ||
---|---|---|---|---|---|---|---|---|
2019 | vierde kwartaal | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 |
2020 | eerste kwartaal | 97,1 | 96,6 | 94,1 | 96,7 | 98 | 98,4 | 99,7 |
2020 | tweede kwartaal | 78,7 | 85,2 | 81,4 | 85,8 | 88,5 | 90,1 | 92,2 |
2020 | derde kwartaal | 91,3 | 95,1 | 96,5 | 95,8 | 96 | 97,1 | 98,1 |
2020 | vierde kwartaal | 92,2 | 94,9 | 95,1 | 95,4 | 96,4 | 97 | 97,9 |
Bron: CBS, Eurostat |
4. Bestedingen
De grote krimp in 2020 is voor drie kwart terug te voeren op de lagere consumptie door huishoudens die met 6,4 procent kromp in 2020. Dat is de grootste krimp van de consumptie die het CBS ooit heeft gemeten. Consumenten konden vaak gewoonweg niet uitgeven omdat veel diensten niet of nauwelijks beschikbaar waren.
Naast de particuliere consumptie droegen ook de investeringen in vaste activa en het handelssaldo bij aan de krimp. Als enige bestedingscategorie groeide de consumptie door de overheid in 2020, met 0,6 procent. Vooral de collectieve consumptie (uitgaven aan overheidsdiensten zoals politie, defensie en openbaar bestuur, die niet aan individuele burgers toe te rekenen zijn) lag hoger dan een jaar eerder.
2020 (% verandering t.o.v. jaar eerder) | 2019 (% verandering t.o.v. jaar eerder) | |
---|---|---|
Bruto binnenlands product | -3,7 | 1,7 |
Invoer goederen en diensten | -4,3 | 3,2 |
Consumptie door overheid | 0,6 | 1,6 |
Bruto investeringen in vaste activa | -3,6 | 4,6 |
Uitvoer goederen en diensten | -4,3 | 2,7 |
Consumptie door huishoudens | -6,4 | 1,5 |
Bijna alle bestedingen daalden al in het eerste kwartaal van 2020. De eerste maatregelen tegen de verspreiding van het coronavirus werden immers medio maart ingesteld. In het tweede kwartaal vielen alle bestedingen daardoor nog verder terug, het hardst het handelssaldo. Maar het saldo van export en import herstelde ook het sterkst in het derde kwartaal, toen de coronacrisis redelijk beteugeld leek te zijn. In het vierde kwartaal kwam het handelssaldo alweer bijna uit op het niveau van voor corona. Dat gold echter niet voor de consumptie door huishoudens en de investeringen.
Jaar | Kwartaal | Consumptie overheid (2019-IV=100) | Handelssaldo (2019-IV=100) | Bruto investeringen in vaste activa (2019-IV=100) | Consumptie door huishoudens (2019-IV=100) |
---|---|---|---|---|---|
2019 | vierde kwartaal | 100 | 100 | 100 | 100 |
2020 | eerste kwartaal | 99,2 | 94,8 | 100,3 | 97,5 |
2020 | tweede kwartaal | 96,1 | 82,5 | 89 | 86,5 |
2020 | derde kwartaal | 102,8 | 98,1 | 95,4 | 94,3 |
2020 | vierde kwartaal | 102,3 | 99,8 | 97 | 93 |
Consumenten gaven in 2020 per saldo vooral veel minder uit aan horeca, vervoer, recreatie en cultuur, maar ook aan kleding, schoenen, vervoermiddelen en motorbrandstoffen. Aan voedingsmiddelen, woninginrichting, elektrische apparaten en huur hebben ze echter meer besteed dan een jaar eerder.
Vooral in het voorjaar en in de laatste maanden van 2020 kromp de consumptie door huishoudens ongekend hard. Medio maart heeft de Nederlandse overheid voor het eerst contactbeperkende maatregelen genomen: scholen en horeca werden gesloten, publieke evenementen afgelast en afstand houden was de regel. Dat betekende voor consumenten geen vakanties in het buitenland, geen avonden in de kroeg of restaurant, niet naar het theater of festival en niet naar de sauna of sportschool. In de zomermaanden vond er tijdelijk een versoepeling van de maatregelen plaats waardoor de krimp van de consumptie ten opzichte van een jaar eerder kleiner was.
Na de zomer liep het aantal coronabesmettingen weer op en het kabinet besloot medio oktober dat er strengere maatregelen nodig waren om ervoor te zorgen dat dit aantal weer daalde. Zo moesten cafés en restaurants weer hun deuren sluiten, gingen niet-essentiële winkels vanaf half december ook dicht en werden bijna geen buitenlandse vakanties meer geboekt. Het herstel van de consumptie door huishoudens bleef hierdoor sterk achter bij dat van de investeringen en de internationale handel. De consumptie door huishoudens lag in het vierde kwartaal nog 7 procent lager dan een jaar eerder.
jaar | maand | %-verandering (% verandering t.o.v. een jaar eerder) |
---|---|---|
2019 | januari | 1,3 |
2019 | februari | 0,9 |
2019 | maart | 1,4 |
2019 | april | 1,5 |
2019 | mei | 2,5 |
2019 | juni | 1,4 |
2019 | juli | 1,1 |
2019 | augustus | 1,1 |
2019 | september | 2 |
2019 | oktober | 2 |
2019 | november | 1,7 |
2019 | december | 3,1 |
2020 | januari | 0,9 |
2020 | februari | 1,2 |
2020 | maart | -6,4 |
2020 | april | -17,1 |
2020 | mei | -12,1 |
2020 | juni | -7,1 |
2020 | juli | -2,7 |
2020 | augustus | -2,3 |
2020 | september | -4 |
2020 | oktober | -6,3 |
2020 | november | -6,7 |
2020 | december | -11,9 |
2021 | januari | -13,5 |
De uitvoer van goederen en diensten lag 4,3 procent lager dan in 2019. Nederland exporteerde in 2020 beduidend minder transportmiddelen en aardolieproducten dan een jaar eerder. De uitvoer van chemische producten groeide daarentegen het hardst. De export van Nederlands fabricaat kromp met 3,8 procent, terwijl de wederuitvoer (de uitvoer van eerder ingevoerde producten) 0,2 procent lager uitkwam. De uitvoer van diensten (onder meer de uitgaven van buitenlandse bezoekers in Nederland) was door het vrijwel stilgevallen internationale toerisme fors lager dan in 2019.
De invoer van goederen en diensten kromp net als de uitvoer met 4,3 procent. Nederland voerde vooral minder diensten (onder meer de uitgaven van Nederlanders in het buitenland), transportmiddelen en delfstoffen in. Doordat de uitvoer in absolute bedragen sterker kromp, was het handelssaldo verantwoordelijk voor 12 procent van de economische krimp in 2020.
De investeringen in vaste activa lagen vorig jaar 3,6 procent lager dan in 2019. De helft van de investeringen bestaat uit investeringen in woningen, bedrijfsgebouwen en infrastructuur en doordat de bouwplaatsen in Nederland grotendeels openbleven, viel de krimp hier nog mee. Er is vooral minder geïnvesteerd in vervoermiddelen zoals personenauto’s, vrachtwagens en vliegtuigen. De investeringen in infrastructuur en computers groeiden.
5. Bedrijfsleven
De groei van de Nederlandse economie is ook te meten via bedrijven en instellingen. Alles wat in Nederland aan waarde wordt toegevoegd door middel van productie plus het saldo van productgebonden belastingen en subsidies, telt op tot het bbp. De toegevoegde waarde (het verschil tussen productie en verbruik van energie, materialen en diensten) van bedrijven en instellingen kromp in 2020 met 3,9 procent.
2020 (% verandering t.o.v. jaar eerder) | 2019 (% verandering t.o.v. jaar eerder) | |
---|---|---|
Openbaar bestuur | 2,5 | 2,6 |
Verhuur en handel in onroerend goed | 2 | 2,6 |
Energiebedrijven | 1,9 | 4,1 |
Specialistische zakelijk dienstverlening | 1,3 | 3,5 |
Landbouw, visserij en bosbouw | 1 | 1,4 |
Financiële instellingen | 0,4 | -1,5 |
Handel en reparatie | 0 | 2,8 |
Informatie en communicatie | -0,4 | 3,7 |
Bouw | -0,8 | 5,1 |
Water- en afvalbedrijven | -1,8 | 0,3 |
Industrie | -2 | 0,8 |
Onderwijs | -3,5 | 0 |
Gezondheids- en welzijnszorg | -5,3 | 0,8 |
Verhuur roerende goederen en overig zakelijke dienstverlening | -14,9 | 1 |
Vervoer, opslag en post | -15,3 | 0,2 |
Delfstoffenwinning | -22,4 | -13,6 |
Cultuur, sport, recreatie en overige diensten | -24,5 | 2,3 |
Horeca | -40,1 | 1,9 |
De bedrijfstak met de grootste krimp in 2020 was de horeca. Het volume van de toegevoegde waarde van de horeca was door de verschillende lockdowns in 2020 ruim 40 procent lager dan een jaar eerder. Vooral in het tweede en vierde kwartaal kromp deze bedrijfstak ongekend sterk door het sluiten van de deuren. De omzet daalde in het tweede en vierde kwartaal ten opzichte van een kwartaal eerder met respectievelijk meer dan 50 en bijna 44 procent.
Jaar | Kwartaal | Omzet (2015=100) |
---|---|---|
2014 | 1e kwartaal | 93,6 |
2014 | 2e kwartaal | 93,8 |
2014 | 3e kwartaal | 94,5 |
2014 | 4e kwartaal | 95,9 |
2015 | 1e kwartaal | 97,1 |
2015 | 2e kwartaal | 99,5 |
2015 | 3e kwartaal | 100,3 |
2015 | 4e kwartaal | 102,8 |
2016 | 1e kwartaal | 103,6 |
2016 | 2e kwartaal | 104,2 |
2016 | 3e kwartaal | 108,2 |
2016 | 4e kwartaal | 108,3 |
2017 | 1e kwartaal | 110,5 |
2017 | 2e kwartaal | 112,6 |
2017 | 3e kwartaal | 113,9 |
2017 | 4e kwartaal | 115,5 |
2018 | 1e kwartaal | 117,8 |
2018 | 2e kwartaal | 120,8 |
2018 | 3e kwartaal | 121,1 |
2018 | 4e kwartaal | 123,5 |
2019 | 1e kwartaal | 122,6 |
2019 | 2e kwartaal | 125 |
2019 | 3e kwartaal | 125,7 |
2019 | 4e kwartaal | 128,1 |
2020 | 1e kwartaal | 110,4 |
2020 | 2e kwartaal | 53,9 |
2020 | 3e kwartaal | 109,7 |
2020 | 4e kwartaal | 61,8 |
In alle branches van de horeca was het omzetverlies door de lockdowns bijzonder groot. De omzet van eet- en drinkgelegenheden kromp met 31,2 procent iets minder hard dan die van de logiesverstrekkers (-40,6 procent). Het bezorgen en het afhalen van eten en drinken was nog wel toegestaan. Binnen de logiesverstrekking werden de hotels het hardst geraakt met een omzetdaling van ruim 50 procent. Het wegblijven van bijvoorbeeld hotelgasten uit het buitenland was vooral goed te zien in de grote steden. Hotels in Amsterdam boekten 72 procent minder overnachtingen. Door een sterke toename van het aantal binnenlandse gasten in de zomerperiode was de krimp bij de overige logiesverstrekkers zoals vakantieparken, campings en bungalows met 13,1 procent een stuk kleiner.
Ook de krimp van de toegevoegde waarde van de bedrijfstak cultuur, recreatie, sport en overige diensten was in 2020 met 24,5 procent buitengewoon fors. Evenementen, festivals, en voorstellingen en dergelijke mochten een groot deel van het jaar niet, of slechts voor kleine groepen gehouden worden. Ook veel sportclubs en recreatieparken waren een groot gedeelte van het jaar beperkt geopend.
Andere bedrijfstakken met een forse krimp waren de delfstoffenwinning, de vervoerssector, de zakelijke dienstverlening en de zorg. De daling van de delfstoffenwinning hangt samen met de verder teruggeschroefde gaswinning. De krimp van de vervoerssector bedroeg bijna 16 procent. Deze bedrijfstak bestaat behalve uit goederenvervoer ook uit sterk door de coronacrisis getroffen sectoren als het openbaar vervoer en de luchtvaart.
Het beeld voor de luchtvaart en daaraan gerelateerde diensten was somber. In 2020 reisden 23,6 miljoen passagiers van en naar de vijf nationale luchthavens in Nederland. In 2019 waren dat er 81,2 miljoen, een daling van bijna 71 procent. De omzet van post- en koeriersdiensten steeg daarentegen fors doordat er mede door de coronamaatregelen meer aankopen online werden gedaan die door koeriers werden afgeleverd.
Jaar | Aantal passagiers (miljoen) |
---|---|
2008 | 50,4 |
2009 | 46,5 |
2010 | 48,6 |
2011 | 53,9 |
2012 | 55,7 |
2013 | 58 |
2014 | 60,9 |
2015 | 64,6 |
2016 | 70,3 |
2017 | 76,2 |
2018 | 79,6 |
2019 | 81,2 |
2020 | 23,6 |
De toegevoegde waarde van de totale zakelijke dienstverlening lag 6,1 procent lager dan een jaar eerder. In de zakelijke dienstverlening kromp de reisbranche met 68,7 procent het hardst. De specialistische zakelijke dienstverleners, zoals architecten en adviesbureaus, noteerden wel een lichte groei.
De productie van de zorg daalde met 5,1 procent doordat tijdens de coronacrisis per saldo minder gezondheids- en zorgdiensten werden geleverd. Vooral in het tweede kwartaal was de krimp van de zorg met bijna 21 procent ongekend. In ziekenhuizen zijn toen veel afspraken en operaties uitgesteld of geannuleerd. Ook huisartsen hebben minder zorg geleverd. Er zijn echter ook bepaalde onderdelen binnen de gezondheidszorg die door corona per saldo meer zorg hebben verleend, zoals onder andere de gemeentelijke gezondheidsdiensten (GGD’en).
Eerste kwartaal (% verandering t.o.v. jaar eerder) | Tweede kwartaal (% verandering t.o.v. jaar eerder) | Derde kwartaal (% verandering t.o.v. jaar eerder) | Vierde kwartaal (% verandering t.o.v. jaar eerder) | |
---|---|---|---|---|
Gezondheids- en welzijnszorg | -3,7 | -20,7 | 2,7 | 0,4 |
Verhuur roerende goederen en overig zakelijke dienstverlening w.o. | -3,8 | -22,1 | -17 | -16 |
Uitzendbranche | -7 | -20,2 | -15,3 | -12,6 |
Reisbureaus | -23,3 | -93,2 | -63,9 | -90,1 |
Vervoer, opslag en post | -4 | -24,8 | -18,9 | -13,1 |
Cultuur, sport, recreatie en overige diensten | -6,2 | -37,3 | -24,2 | -29,7 |
Horeca | -12,1 | -66,7 | -14,7 | -62,7 |
De bouw en de industrie werden minder zwaar geraakt door alle coronamaatregelen. De industriële productie daalde het sterkst in het tweede kwartaal, maar was in december alweer volledig hersteld. Per saldo kromp de industrie in 2020 met 2,3 procent, met als meest negatieve uitschieter de transportmiddelenindustrie en als grootste positieve uitschieter de machine-industrie. De bouwproductie was 0,4 procent lager dan een jaar eerder.
Niet alle bedrijfstakken krompen in 2020, er waren ook gedeeltes van de economie die positieve records boekten. Zo gaven consumenten meer uit aan bijvoorbeeld voedingsmiddelen en de inrichting van hun woning, en kochten ze meer dan ooit via internet. Dat leidde tot de op een na hoogste omzetgroei van de detailhandel in deze eeuw. In 2020 heeft de detailhandel 5,9 procent meer omgezet dan in 2019. De maatregelen tegen de verspreiding van corona leidde binnen de detailhandel echter tot bijzonder grote verschillen. De foodsector (voornamelijk supermarkten) zette 6,9 procent meer om, terwijl de omzet van de non-foodsector per saldo hetzelfde bleef.
Jaar | Omzet (% verandering t.o.v. jaar eerder) |
---|---|
2001 | 6,3 |
2002 | 3,1 |
2003 | -2,1 |
2004 | -2,2 |
2005 | -0,2 |
2006 | 5,2 |
2007 | 4 |
2008 | 2 |
2009 | -4,3 |
2010 | -0,5 |
2011 | 0 |
2012 | -1,4 |
2013 | -2,1 |
2014 | 1,3 |
2015 | 2,3 |
2016 | 2,4 |
2017 | 4,2 |
2018 | 3,4 |
2019 | 3,3 |
2020 | 5,9 |
* exclusief tankstations en apotheken |
Vooral binnen de non-foodsector waren de verschillen groot. Kleding- en schoenenwinkels boekten het hele jaar zware verliezen, terwijl bouwmarkten, meubelzaken, tuincentra, keukenwinkels en winkels in consumentenelektronica recordomzetten boekten. Het lijkt alsof consumenten, in een jaar zonder kantoor, horeca en evenementen, minder interesse hadden in kleren en schoenen, maar meer aandacht voor hun huis en de inrichting daarvan. Het jaar eindigde echter voor de niet-essentiële winkels, zoals de winkels in consumentenelektronica, slecht. Zij moesten medio december dicht en daardoor kromp de omzet van de non-foodsector met 22,6 procent. In de eerste maanden van 2021 zakte de omzet nog verder weg.
Branche | Verandering (% verandering t.o.v. een jaar eerder) |
---|---|
Food | 6,9 |
Supermarkten | 7,1 |
Speciaalzaken | 5,8 |
Non-food | 0 |
Doe-het-zelf, keukens en vloeren | 19,5 |
Consumentenelektronica en witgoed | 8,5 |
Meubels en woninginrichting | 7,7 |
Recreatieartikelen | 5,3 |
Drogisterijen | 2,3 |
Schoenen en lederwaren | -18,4 |
Kleding | -19,7 |
* exclusief tankstations en apotheken |
In 2020 is online 43,5 procent meer omgezet dan in 2019, de hoogste groei sinds het begin van de statistiek onlineverkopen in 2014. Webwinkels realiseerden een groei van 35,7 procent. Webwinkels hebben als hoofdactiviteit verkoop via internet. De onlineomzet van winkels waarvan de verkoop via het internet een nevenactiviteit is (multi-channelers) groeide met bijna 54,7 procent. In januari 2021, toen alle niet-essentiële winkels noodgedwongen gesloten waren, werd er bijna dubbel zoveel online verkocht als een jaar eerder.
Jaar | Totaal (% verandering t.o.v. een jaar eerder) | Multi-channel (zwaartepunt niet online) (% verandering t.o.v. een jaar eerder) | Webwinkels (% verandering t.o.v. een jaar eerder) |
---|---|---|---|
2014 | 11,9 | 18,2 | 8,4 |
2015 | 22,1 | 22 | 22,2 |
2016 | 20,1 | 16,5 | 22,3 |
2017 | 19,9 | 22,2 | 18,6 |
2018 | 17,9 | 26,3 | 12,9 |
2019 | 17 | 21,3 | 14,1 |
2020 | 43,5 | 54,7 | 35,7 |
In de nationale rekeningen wordt gekeken naar de toegevoegde waarde, maar bedrijven kijken naast de omzet ook naar de winst. De brutowinst voor belasting van niet-financiële bedrijven kwam in 2020 uit op 258,9 miljard euro. Dat is 11,5 miljard euro minder dan in 2019 en de grootste daling na 2009. De brutowinst voor belasting is winst waarover nog vennootschapsbelasting betaald moet worden. In de voorgaande drie jaar steeg de brutowinst voor belasting nog.
De afname van de brutowinst voor belasting is geheel toe te schrijven aan de winsten van buitenlandse dochters, die 21,1 miljard euro lager waren dan in 2019. Dat hangt onder meer samen met de lage olieprijzen. De operationele winst was 2,7 miljard euro hoger dan een jaar eerder, wat is te danken aan de coronagerelateerde financiële steunmaatregelen die de overheid aan bedrijven heeft verstrekt. De overige winst nam met 7,0 miljard euro toe. Dat komt vooral doordat de binnenlandse dividendopbrengsten hoger waren dan in 2019 en doordat de afname van de rentebetalingen groter was dan de daling van de renteontvangsten.
Operationele winst (mld euro) | Winsten van buitenlandse dochters (mld euro) | Overige winst (mld euro) | |
---|---|---|---|
2013 | 150,6 | 54,3 | 0,5 |
2014 | 148,8 | 52,4 | 3,1 |
2015 | 160,2 | 63,6 | 5,7 |
2016 | 161,6 | 54,4 | 8,7 |
2017 | 170,9 | 63,1 | 3,1 |
2018 | 178,3 | 80,7 | 10,3 |
2019 | 184,4 | 76,1 | 9,8 |
2020 | 187,1 | 55,0 | 16,8 |
Door de coronacrisis hadden veel bedrijven het moeilijk in 2020, maar het aantal faillissementen lag het afgelopen jaar op het laagste niveau in twintig jaar. Dat is niet los te zien van de noodsteun van de overheid.
In 2020 werden 2.703 bedrijven en instellingen failliet verklaard. Dat waren er 506 minder dan in 2019. Het aantal faillissementen bereikte een piek in 2013. Daarna is het aantal faillissementen vijf jaar achter elkaar afgenomen. Dit hing samen met de economische groei van de afgelopen jaren. Het is daarom uitzonderlijk te noemen dat juist in een jaar van historische economische krimp het aantal faillissementen zo laag was, maar daar speelt de noodsteun van de overheid een belangrijke rol in.
Aantal | |
---|---|
2000 | 2621 |
2001 | 3333 |
2002 | 4085 |
2003 | 5235 |
2004 | 5267 |
2005 | 5083 |
2006 | 4228 |
2007 | 3589 |
2008 | 3842 |
2009 | 6942 |
2010 | 6162 |
2011 | 6117 |
2012 | 7349 |
2013 | 8376 |
2014 | 6645 |
2015 | 5271 |
2016 | 4399 |
2017 | 3291 |
2018 | 3145 |
2019 | 3209 |
2020 | 2703 |
6. De arbeidsmarkt
In 2020 is het aantal werklozen voor het eerst sinds 2015 toegenomen. Er waren gemiddeld 357 duizend mensen werkloos, 43 duizend meer dan in 2019. Het werkloosheidspercentage in Nederland liep op van 3,4 procent in 2019 naar 3,8 procent in 2020. Volgens de definitie van de International Labour Organization (ILO) gaat het bij werklozen om mensen zonder betaald werk die hier recent naar hebben gezocht en direct beschikbaar zijn om aan de slag te gaan.
In vergelijking met de kredietcrisis in 2009 bleef de toename van de werkloosheid tot nu toe beperkt. Dat is onder meer te danken aan de omvangrijke steunmaatregelen van de overheid om zo veel mogelijk mensen aan werk te houden. Met de tegemoetkoming Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW) konden bedrijven werknemers doorbetalen. Mede hierdoor was het aantal faillissementen in 2020 het laagst in deze eeuw en het verlies aan werkgelegenheid relatief klein.
Jaar | Werkloze beroepsbevolking (x 1 000) |
---|---|
2003 | 395 |
2004 | 466 |
2005 | 489 |
2006 | 419 |
2007 | 355 |
2008 | 318 |
2009 | 381 |
2010 | 435 |
2011 | 434 |
2012 | 516 |
2013 | 647 |
2014 | 660 |
2015 | 614 |
2016 | 538 |
2017 | 438 |
2018 | 350 |
2019 | 314 |
2020 | 357 |
In het eerste kwartaal van 2020 daalde het aantal werklozen nog in vergelijking met het vierde kwartaal van 2019. Door de coronacrisis nam het aantal werklozen in het tweede en derde kwartaal van 2020 echter sterk toe. Hoewel het aantal werklozen in het vierde kwartaal weer daalde, waren er nog wel 66 duizend meer mensen werkloos dan in hetzelfde kwartaal een jaar eerder.
In 2020 is vooral de jeugdwerkloosheid door corona sterk gegroeid. Een jaar eerder was de jeugdwerkloosheid met 6,7 procent nog historisch laag, maar in 2020 is het percentage opgelopen naar 9,1. Ook het werkloosheidspercentage van 25-tot 45-jarigen is gestegen, van 2,8 naar 3,3. Onder de 45- tot 75-jarigen is het werkloosheidspercentage daarentegen gedaald van 2,7 in 2019 naar 2,4 in 2020.
Leeftijd | 2019 (% van de beroepsbevolking) | 2020 (% van de beroepsbevolking) |
---|---|---|
15 tot 75 jaar | 3,4 | 3,8 |
15 tot 25 jaar | 6,7 | 9,1 |
25 tot 45 jaar | 2,8 | 3,3 |
45 tot 75 jaar | 2,7 | 2,4 |
De krapte op de arbeidsmarkt bereikte in 2019 een historisch niveau. Halverwege 2019 was de spanning het hoogst: 93 vacatures voor 100 werklozen. In de eerste drie kwartalen van 2020 nam de spanning op de arbeidsmarkt echter snel af tot 51 vacatures per 100 werklozen. Doordat het aantal werklozen in het vierde kwartaal van 2020 sterker afnam dan het aantal vacatures nam de krapte op de arbeidsmarkt weer iets toe. Eind 2020 was de arbeidsmarkt nog ongeveer even krap als eind 2017, toen de Nederlandse economie in hoogconjunctuur verkeerde.
Jaar | Kwartaal | Vacatures per 100 werklozen (vacatures per 100 werklozen) |
---|---|---|
2008 | 1e kwartaal | 77 |
2008 | 2e kwartaal | 77 |
2008 | 3e kwartaal | 79 |
2008 | 4e kwartaal | 62 |
2009 | 1e kwartaal | 46 |
2009 | 2e kwartaal | 35 |
2009 | 3e kwartaal | 33 |
2009 | 4e kwartaal | 30 |
2010 | 1e kwartaal | 26 |
2010 | 2e kwartaal | 27 |
2010 | 3e kwartaal | 29 |
2010 | 4e kwartaal | 30 |
2011 | 1e kwartaal | 32 |
2011 | 2e kwartaal | 33 |
2011 | 3e kwartaal | 31 |
2011 | 4e kwartaal | 26 |
2012 | 1e kwartaal | 24 |
2012 | 2e kwartaal | 22 |
2012 | 3e kwartaal | 20 |
2012 | 4e kwartaal | 18 |
2013 | 1e kwartaal | 16 |
2013 | 2e kwartaal | 14 |
2013 | 3e kwartaal | 14 |
2013 | 4e kwartaal | 14 |
2014 | 1e kwartaal | 15 |
2014 | 2e kwartaal | 16 |
2014 | 3e kwartaal | 18 |
2014 | 4e kwartaal | 19 |
2015 | 1e kwartaal | 20 |
2015 | 2e kwartaal | 21 |
2015 | 3e kwartaal | 22 |
2015 | 4e kwartaal | 24 |
2016 | 1e kwartaal | 26 |
2016 | 2e kwartaal | 28 |
2016 | 3e kwartaal | 31 |
2016 | 4e kwartaal | 35 |
2017 | 1e kwartaal | 39 |
2017 | 2e kwartaal | 45 |
2017 | 3e kwartaal | 50 |
2017 | 4e kwartaal | 57 |
2018 | 1e kwartaal | 64 |
2018 | 2e kwartaal | 71 |
2018 | 3e kwartaal | 75 |
2018 | 4e kwartaal | 80 |
2019 | 1e kwartaal | 89 |
2019 | 2e kwartaal | 93 |
2019 | 3e kwartaal | 89 |
2019 | 4e kwartaal | 90 |
2020 | 1e kwartaal | 81 |
2020 | 2e kwartaal | 57 |
2020 | 3e kwartaal | 51 |
2020 | 4e kwartaal | 55 |
7. Lonen en prijzen
De stijging van de cao-lonen kwam in 2020 uit op 3,0 procent. Ondanks de coronacrisis is de cao-loonstijging in jaren niet zo hoog geweest. Daarbij speelt mee dat voor bijna drie kwart van de cao’s in maart (toen de eerste lockdown begon) al een akkoord was afgesloten over heel 2020. Gecorrigeerd voor inflatie bedroeg de cao-loonstijging 1,7 procent, de grootste toename in ruim 30 jaar.
De inflatie was met 1,3 procent lager dan in 2019. Toen bedroeg de gemiddelde prijsstijging nog 2,6 procent. Ondanks de daling van de inflatie in 2020 behoorde de prijsstijging in Nederland in het afgelopen jaar opnieuw tot een van de hoogste in de eurozone.
De afname van de inflatie is onder meer toe te schrijven aan de prijsontwikkeling van energie. Ook de prijzen van motorbrandstoffen en voedingsmiddelen drukten de inflatie. Voedingsmiddelen werden 2,0 procent duurder, terwijl de prijsstijging hiervan in 2019 nog 4,3 procent was. In 2019 werd het lage btw-tarief van 6 naar 9 procent verhoogd. In 2020 betaalden consumenten meer voor tabak dan een jaar eerder. De prijsstijgingen zijn vooral het gevolg van accijnsverhogingen.
Jaren | Reële cao-lonen (% verandering) | Cao-lonen per uur inclusief bijzondere beloningen (% verandering) | Consumentenprijzen (% verandering) |
---|---|---|---|
2008 | 0,8 | 3,3 | 2,5 |
2009 | 1,6 | 2,8 | 1,2 |
2010 | 0 | 1,3 | 1,3 |
2011 | -1,2 | 1,1 | 2,3 |
2012 | -1,1 | 1,4 | 2,5 |
2013 | -1,3 | 1,2 | 2,5 |
2014 | -0,1 | 0,9 | 1 |
2015 | 0,8 | 1,4 | 0,6 |
2016 | 1,5 | 1,8 | 0,3 |
2017 | 0 | 1,4 | 1,4 |
2018 | 0,3 | 2 | 1,7 |
2019 | -0,1 | 2,5 | 2,6 |
2020 | 1,7 | 3 | 1,3 |
Ondanks de coronacrisis bleven de huizenprijzen in 2020 stijgen. Belangrijkste oorzaken lijken de lage hypotheekrente en de schaarste op de woningmarkt, maar ook de relatief lage werkloosheid, de hogere lonen en de toegenomen besparing kunnen een rol spelen. Een bestaande koopwoning was in 2020 gemiddeld 7,8 procent duurder dan in 2019. Verder wisselden in Nederland 7,7 procent meer woningen van eigenaar dan in 2019.
In alle provincies waren koopwoningen duurder dan in 2019. De prijsstijgingen varieerden van 6,5 procent in Noord-Holland tot 10,4 procent in Groningen. Opvallend is dat de provincies met de grootste prijsstijgingen vooral buiten de Randstad, in het oosten en zuidwesten van Nederland, liggen.
In 2020 verhuisden meer mensen uit de Randstad dan ernaartoe. De trek uit de Randstad naar regio’s daarbuiten neemt de laatste jaren toe. Vooral stellen zonder kinderen en mensen ouder dan dertig jaar verlaten vaker dan voorheen de Randstad. Algemeen wordt verondersteld dat coronamaatregelen gevolgen kunnen hebben voor het verhuisgedrag van mensen. Mensen zouden meer behoefte hebben gekregen aan ruimte in en om de woning, waar ze noodgedwongen meer tijd doorbrengen. De verwachting dat thuiswerken ook na de coronapandemie gebruikelijk zal blijven, zou daarnaast als gevolg kunnen hebben dat werkenden verder van hun werk gaan wonen.
Prijsindex (2015=100) | Aantal verkopen (voortschrijdend 12-maandsgemiddelde) (2015=100) | ||
---|---|---|---|
2013 | 96,9 | 65,3 | |
2013 | 98,1 | 65,4 | |
2013 | 98,2 | 65,3 | |
2013 | 96,8 | 64,3 | |
2013 | 95,5 | 63,3 | |
2013 | 95 | 58,3 | |
2013 | 96,1 | 59,5 | |
2013 | 96,3 | 60,4 | |
2013 | 96,1 | 61,6 | |
2013 | 95,9 | 62,4 | |
2013 | 95,5 | 62,8 | |
2013 | 96,1 | 61,7 | |
2014 | 96,4 | 63,2 | |
2014 | 96,4 | 64,4 | |
2014 | 96,1 | 65 | |
2014 | 96,9 | 67,4 | |
2014 | 96,8 | 69,5 | |
2014 | 97,1 | 71,8 | |
2014 | 97,9 | 74,1 | |
2014 | 97,9 | 75,4 | |
2014 | 97,7 | 77,5 | |
2014 | 98 | 80 | |
2014 | 97,7 | 80,6 | |
2014 | 97,9 | 86,1 | |
2015 | 98,4 | 86,4 | |
2015 | 98,7 | 87,3 | |
2015 | 98,8 | 89,2 | |
2015 | 99,1 | 90,3 | |
2015 | 99,4 | 90,8 | |
2015 | 99,6 | 92,9 | |
2015 | 100,5 | 95,5 | |
2015 | 100,4 | 97,5 | |
2015 | 101,2 | 99,4 | |
2015 | 101,4 | 100,5 | |
2015 | 101,5 | 102,1 | |
2015 | 101,1 | 100 | |
2016 | 102,4 | 101,4 | |
2016 | 102,5 | 103,2 | |
2016 | 103 | 104,7 | |
2016 | 103,2 | 106,7 | |
2016 | 103,7 | 108,6 | |
2016 | 104,3 | 110,1 | |
2016 | 105,5 | 110,8 | |
2016 | 106,4 | 113,1 | |
2016 | 107,2 | 115,7 | |
2016 | 107 | 116,3 | |
2016 | 107,5 | 118,4 | |
2016 | 107,9 | 120,5 | |
2017 | 108,9 | 123,1 | |
2017 | 109,3 | 124,7 | |
2017 | 110,5 | 127,8 | |
2017 | 110,9 | 127,9 | |
2017 | 111,7 | 130,1 | |
2017 | 112,5 | 132,3 | |
2017 | 113,5 | 132,4 | |
2017 | 114,6 | 132,9 | |
2017 | 115 | 132,7 | |
2017 | 115,8 | 134,2 | |
2017 | 116,4 | 135 | |
2017 | 116,8 | 135,7 | |
2018 | 118,6 | 135,4 | |
2018 | 119,7 | 134,5 | |
2018 | 120,1 | 133,5 | |
2018 | 120,6 | 133,3 | |
2018 | 121,7 | 132,3 | |
2018 | 122,5 | 130,5 | |
2018 | 123,7 | 130,2 | |
2018 | 125,4 | 130,3 | |
2018 | 125,7 | 128 | |
2018 | 126,2 | 127,2 | |
2018 | 127,4 | 126,5 | |
2018 | 126,6 | 122,5 | |
2019 | 128,8 | 122 | |
2019 | 128,7 | 121,7 | |
2019 | 129,2 | 119,9 | |
2019 | 129,8 | 120,5 | |
2019 | 130,4 | 121,3 | |
2019 | 130,9 | 119,7 | |
2019 | 132,4 | 120,5 | |
2019 | 132,5 | 119,8 | |
2019 | 133,4 | 120,8 | |
2019 | 134,1 | 120,8 | |
2019 | 134,8 | 120,8 | |
2019 | 134,8 | 122,6 | |
2020 | 136,9 | 124 | |
2020 | 137,2 | 123,9 | |
2020 | 138,3 | 124,9 | |
2020 | 139,3 | 125,8 | |
2020 | 140,4 | 125 | |
2020 | 140,9 | 126,3 | |
2020 | 142,2 | 127,1 | |
2020 | 143,4 | 126,8 | |
2020 | 144,8 | 128,1 | |
2020 | 146,3 | 130 | |
2020 | 146,8 | 130,1 | |
2020 | 146,1 | 132,1 | |
'21 | 149,7 | 136 | |
'21 | 151,4 | 136,8 |
8. Conjunctuurbeeld
De Conjunctuurklok van het CBS laat de stand en het verloop van de Nederlandse conjunctuur zien en bestaat uit 12 indicatoren. Het gaat hierbij om investeringen, consumptie, uitvoer, productie industrie, consumentenvertrouwen, producentenvertrouwen, faillissementen, gewerkte uren, vacatures, werkloosheid, omzet uitzendbranche en prijzen bestaande koopwoningen. Het ongewogen gemiddelde hiervan is de Conjunctuurklokindicator. Medio maart stonden acht van de twaalf indicatoren onder hun langjarige trend. Export, productie industrie, huizenprijzen en faillissementen presteerden daarentegen beter dan de langjarige trend. Het gaat hierbij om de stand van de cijfers zoals die in maart 2021 bekend waren. Voor de meeste indicatoren was medio maart informatie bekend over de verslagmaanden december en januari.
Volgens de conjunctuurklokindicator verkeerde de economie tot het voorjaar van 2020 nog in hoogconjunctuur. Die periode startte in het najaar van 2016 en duurde ruim 3,5 jaar. Inmiddels verkeert de Nederlandse economie al bijna een jaar in laagconjunctuur. In de zomer werd het dieptepunt bereikt. Daarna trok de conjunctuur weer wat aan. Het herstel werd echter in de knop gebroken door de steeds strengere maatregelen tegen het coronavirus sinds oktober 2020. De economie lijkt daar deze keer wel iets beter mee om te gaan dan tijdens de lockdown in het voorjaar. Export van goederen en investeringen ondervinden nu minder schade, maar de consumptie wordt opnieuw zwaar geraakt.
De economische vooruitzichten blijven onzeker en hangen onder meer af van de ontwikkeling van de coronapandemie. Op moment van schrijven lopen de besmettingen en ziekenhuisopnames weer op. In Nederland en andere landen gelden daarom nog steeds strenge maatregelen tegen het verspreiden van het virus.
jaar | maand | cyclus (afwijking van de langetermijntrend (=0)) |
---|---|---|
2008 | januari | 1,43 |
2008 | februari | 1,49 |
2008 | maart | 1,52 |
2008 | april | 1,51 |
2008 | mei | 1,5 |
2008 | juni | 1,46 |
2008 | juli | 1,39 |
2008 | augustus | 1,31 |
2008 | september | 1,22 |
2008 | oktober | 1,12 |
2008 | november | 0,94 |
2008 | december | 0,77 |
2009 | januari | 0,38 |
2009 | februari | 0,11 |
2009 | maart | -0,1 |
2009 | april | -0,26 |
2009 | mei | -0,48 |
2009 | juni | -0,6 |
2009 | juli | -0,63 |
2009 | augustus | -0,7 |
2009 | september | -0,71 |
2009 | oktober | -0,66 |
2009 | november | -0,64 |
2009 | december | -0,63 |
2010 | januari | -0,58 |
2010 | februari | -0,55 |
2010 | maart | -0,53 |
2010 | april | -0,47 |
2010 | mei | -0,42 |
2010 | juni | -0,38 |
2010 | juli | -0,32 |
2010 | augustus | -0,26 |
2010 | september | -0,19 |
2010 | oktober | -0,13 |
2010 | november | -0,05 |
2010 | december | 0,02 |
2011 | januari | 0,08 |
2011 | februari | 0,17 |
2011 | maart | 0,23 |
2011 | april | 0,28 |
2011 | mei | 0,34 |
2011 | juni | 0,36 |
2011 | juli | 0,34 |
2011 | augustus | 0,31 |
2011 | september | 0,24 |
2011 | oktober | 0,15 |
2011 | november | 0,06 |
2011 | december | -0,02 |
2012 | januari | -0,06 |
2012 | februari | -0,11 |
2012 | maart | -0,15 |
2012 | april | -0,18 |
2012 | mei | -0,25 |
2012 | juni | -0,32 |
2012 | juli | -0,38 |
2012 | augustus | -0,48 |
2012 | september | -0,57 |
2012 | oktober | -0,64 |
2012 | november | -0,76 |
2012 | december | -0,85 |
2013 | januari | -0,93 |
2013 | februari | -1,04 |
2013 | maart | -1,12 |
2013 | april | -1,17 |
2013 | mei | -1,24 |
2013 | juni | -1,27 |
2013 | juli | -1,27 |
2013 | augustus | -1,27 |
2013 | september | -1,21 |
2013 | oktober | -1,13 |
2013 | november | -1,06 |
2013 | december | -0,98 |
2014 | januari | -0,92 |
2014 | februari | -0,87 |
2014 | maart | -0,84 |
2014 | april | -0,82 |
2014 | mei | -0,81 |
2014 | juni | -0,8 |
2014 | juli | -0,78 |
2014 | augustus | -0,77 |
2014 | september | -0,76 |
2014 | oktober | -0,74 |
2014 | november | -0,71 |
2014 | december | -0,67 |
2015 | januari | -0,63 |
2015 | februari | -0,58 |
2015 | maart | -0,53 |
2015 | april | -0,48 |
2015 | mei | -0,42 |
2015 | juni | -0,37 |
2015 | juli | -0,33 |
2015 | augustus | -0,29 |
2015 | september | -0,26 |
2015 | oktober | -0,25 |
2015 | november | -0,23 |
2015 | december | -0,22 |
2016 | januari | -0,22 |
2016 | februari | -0,21 |
2016 | maart | -0,19 |
2016 | april | -0,18 |
2016 | mei | -0,14 |
2016 | juni | -0,11 |
2016 | juli | -0,07 |
2016 | augustus | -0,01 |
2016 | september | 0,03 |
2016 | oktober | 0,07 |
2016 | november | 0,12 |
2016 | december | 0,16 |
2017 | januari | 0,2 |
2017 | februari | 0,27 |
2017 | maart | 0,32 |
2017 | april | 0,36 |
2017 | mei | 0,43 |
2017 | juni | 0,46 |
2017 | juli | 0,49 |
2017 | augustus | 0,56 |
2017 | september | 0,6 |
2017 | oktober | 0,63 |
2017 | november | 0,7 |
2017 | december | 0,75 |
2018 | januari | 0,8 |
2018 | februari | 0,86 |
2018 | maart | 0,9 |
2018 | april | 0,92 |
2018 | mei | 0,95 |
2018 | juni | 0,95 |
2018 | juli | 0,97 |
2018 | augustus | 0,97 |
2018 | september | 0,97 |
2018 | oktober | 0,95 |
2018 | november | 0,95 |
2018 | december | 0,92 |
2019 | januari | 0,86 |
2019 | februari | 0,86 |
2019 | maart | 0,82 |
2019 | april | 0,8 |
2019 | mei | 0,78 |
2019 | juni | 0,74 |
2019 | juli | 0,77 |
2019 | augustus | 0,74 |
2019 | september | 0,71 |
2019 | oktober | 0,69 |
2019 | november | 0,68 |
2019 | december | 0,69 |
2020 | januari | 0,69 |
2020 | februari | 0,71 |
2020 | maart | 0,66 |
2020 | april | 0,66 |
2020 | mei | -0,95 |
2020 | juni | -1,94 |
2020 | juli | -1,5 |
2020 | augustus | -1,41 |
2020 | september | -1,01 |
2020 | oktober | -0,82 |
2020 | november | -0,59 |
2020 | december | -0,48 |
'21 | januari | -0,41 |
'21 | februari | -0,79 |
'21 | maart | -0,54 |
In april 2020 verslechterde het vertrouwen van consumenten door de coronacrisis enorm. Het consumentenvertrouwen daalde van -2 in maart naar -22 in april. Dat was de grootste daling, maar niet de laagste stand ooit. Vanaf november 2020 krabbelde het vertrouwen van consumenten op, maar in maart 2021 lag het met -18 nog altijd ver onder het langjarig gemiddelde. Over het algemeen geldt: hoe meer vertrouwen consumenten hebben in de economie, hoe meer zij uitgeven.
Jaar | Consumentenvertrouwen (gemiddelde van de deelvragen) | |
---|---|---|
2008 | 1 | |
2008 | -4 | |
2008 | -5 | |
2008 | -7 | |
2008 | -12 | |
2008 | -16 | |
2008 | -26 | |
2008 | -28 | |
2008 | -25 | |
2008 | -25 | |
2008 | -26 | |
2008 | -26 | |
2009 | -27 | |
2009 | -28 | |
2009 | -30 | |
2009 | -26 | |
2009 | -22 | |
2009 | -19 | |
2009 | -19 | |
2009 | -14 | |
2009 | -12 | |
2009 | -14 | |
2009 | -11 | |
2009 | -7 | |
2010 | -4 | |
2010 | -6 | |
2010 | -6 | |
2010 | -7 | |
2010 | -9 | |
2010 | -13 | |
2010 | -11 | |
2010 | -7 | |
2010 | -8 | |
2010 | -7 | |
2010 | -3 | |
2010 | -7 | |
2011 | -4 | |
2011 | 0 | |
2011 | 1 | |
2011 | -2 | |
2011 | -4 | |
2011 | -6 | |
2011 | -8 | |
2011 | -16 | |
2011 | -27 | |
2011 | -34 | |
2011 | -35 | |
2011 | -36 | |
2012 | -37 | |
2012 | -36 | |
2012 | -36 | |
2012 | -32 | |
2012 | -34 | |
2012 | -37 | |
2012 | -33 | |
2012 | -31 | |
2012 | -28 | |
2012 | -29 | |
2012 | -33 | |
2012 | -38 | |
2013 | -37 | |
2013 | -41 | |
2013 | -41 | |
2013 | -37 | |
2013 | -32 | |
2013 | -33 | |
2013 | -35 | |
2013 | -32 | |
2013 | -31 | |
2013 | -26 | |
2013 | -16 | |
2013 | -11 | |
2014 | -6 | |
2014 | -2 | |
2014 | 1 | |
2014 | 4 | |
2014 | 6 | |
2014 | 6 | |
2014 | 5 | |
2014 | 2 | |
2014 | -2 | |
2014 | 1 | |
2014 | -2 | |
2014 | -4 | |
2015 | -2 | |
2015 | -1 | |
2015 | 7 | |
2015 | 10 | |
2015 | 11 | |
2015 | 14 | |
2015 | 13 | |
2015 | 13 | |
2015 | 11 | |
2015 | 12 | |
2015 | 14 | |
2015 | 13 | |
2016 | 11 | |
2016 | 6 | |
2016 | 2 | |
2016 | 6 | |
2016 | 7 | |
2016 | 11 | |
2016 | 9 | |
2016 | 9 | |
2016 | 12 | |
2016 | 17 | |
2016 | 20 | |
2016 | 21 | |
2017 | 21 | |
2017 | 22 | |
2017 | 24 | |
2017 | 26 | |
2017 | 23 | |
2017 | 23 | |
2017 | 25 | |
2017 | 26 | |
2017 | 23 | |
2017 | 23 | |
2017 | 22 | |
2017 | 25 | |
2018 | 24 | |
2018 | 23 | |
2018 | 24 | |
2018 | 25 | |
2018 | 23 | |
2018 | 23 | |
2018 | 23 | |
2018 | 21 | |
2018 | 18 | |
2018 | 15 | |
2018 | 13 | |
2018 | 9 | |
2019 | 1 | |
2019 | -2 | |
2019 | -3 | |
2019 | -3 | |
2019 | -3 | |
2019 | -1 | |
2019 | 1 | |
2019 | -1 | |
2019 | -2 | |
2019 | -1 | |
2019 | -2 | |
2019 | -2 | |
2020 | -2 | |
2020 | -2 | |
2020 | -3 | |
2020 | -23 | |
2020 | -31 | |
2020 | -27 | |
2020 | -26 | |
2020 | -29 | |
2020 | -28 | |
2020 | -30 | |
2020 | -26 | |
2020 | -20 | |
'21 | -19 | |
'21 | -19 | |
'21 | -18 |
Door de coronacrisis belandde het producentenvertrouwen in april 2020 op het laagste niveau sinds de start van het onderzoek in 1985. Het vertrouwen van de industriële ondernemers ging van 0,2 in maart naar -28,7 in april. Net als bij het consumentenvertrouwen was dit veruit de sterkste afname in een maand ooit. In januari 2021 hadden de positieve ondernemers echter alweer de overhand. Binnen een jaar tijd was het producentenvertrouwen weer nagenoeg terug op het niveau van voor de coronacrisis.
Jaar | Producentenvertrouwen (gemiddelde van de deelvragen) | |
---|---|---|
2008 | 9,4 | |
2008 | 8,5 | |
2008 | 5,8 | |
2008 | 2,8 | |
2008 | 3,3 | |
2008 | 4,8 | |
2008 | 1,8 | |
2008 | 4,8 | |
2008 | -0,9 | |
2008 | -6 | |
2008 | -9 | |
2008 | -21,1 | |
2009 | -20,9 | |
2009 | -23,5 | |
2009 | -20,8 | |
2009 | -17,3 | |
2009 | -16,1 | |
2009 | -13,9 | |
2009 | -14,6 | |
2009 | -9,2 | |
2009 | -9,7 | |
2009 | -7,2 | |
2009 | -5 | |
2009 | -8,1 | |
2010 | -6,2 | |
2010 | -4,8 | |
2010 | -3,1 | |
2010 | -1,4 | |
2010 | 0,6 | |
2010 | -0,8 | |
2010 | -2 | |
2010 | 0,2 | |
2010 | -0,1 | |
2010 | 0,3 | |
2010 | 0,2 | |
2010 | 2,6 | |
2011 | 2,5 | |
2011 | 1,5 | |
2011 | 5,7 | |
2011 | 4,3 | |
2011 | 2,7 | |
2011 | 1,7 | |
2011 | -2,2 | |
2011 | -3,2 | |
2011 | -0,5 | |
2011 | -3,1 | |
2011 | -4,8 | |
2011 | -1,3 | |
2012 | -1,8 | |
2012 | -1,7 | |
2012 | -2,8 | |
2012 | -3,4 | |
2012 | -4,9 | |
2012 | -4,8 | |
2012 | -5,4 | |
2012 | -4,7 | |
2012 | -6,6 | |
2012 | -7,6 | |
2012 | -6,8 | |
2012 | -5,6 | |
2013 | -5,6 | |
2013 | -3,7 | |
2013 | -5,1 | |
2013 | -5,6 | |
2013 | -4,1 | |
2013 | -3,8 | |
2013 | -3,1 | |
2013 | -1,4 | |
2013 | -2,4 | |
2013 | -0,3 | |
2013 | -0,3 | |
2013 | 0,1 | |
2014 | 0,7 | |
2014 | -0,1 | |
2014 | 1,1 | |
2014 | 0,3 | |
2014 | 0,7 | |
2014 | 0,7 | |
2014 | 1,2 | |
2014 | 0 | |
2014 | -0,2 | |
2014 | 2 | |
2014 | 2,4 | |
2014 | 3,4 | |
2015 | 2,8 | |
2015 | 2 | |
2015 | 1,4 | |
2015 | 3,3 | |
2015 | 4,1 | |
2015 | 4,6 | |
2015 | 3,7 | |
2015 | 3,5 | |
2015 | 3,8 | |
2015 | 2,4 | |
2015 | 4 | |
2015 | 3 | |
2016 | 3,2 | |
2016 | 3,1 | |
2016 | 3,9 | |
2016 | 4,7 | |
2016 | 4,4 | |
2016 | 5,4 | |
2016 | 5,1 | |
2016 | 1,2 | |
2016 | 3,4 | |
2016 | 4,3 | |
2016 | 3,4 | |
2016 | 4,7 | |
2017 | 6 | |
2017 | 7 | |
2017 | 7,8 | |
2017 | 8,3 | |
2017 | 6,1 | |
2017 | 7,2 | |
2017 | 6,6 | |
2017 | 5,4 | |
2017 | 8,5 | |
2017 | 8,2 | |
2017 | 9,1 | |
2017 | 8,9 | |
2018 | 10,3 | |
2018 | 10,9 | |
2018 | 9,5 | |
2018 | 8,2 | |
2018 | 9,8 | |
2018 | 7,7 | |
2018 | 6,3 | |
2018 | 5,9 | |
2018 | 5,7 | |
2018 | 5,9 | |
2018 | 7,2 | |
2018 | 7,5 | |
2019 | 5,8 | |
2019 | 6,3 | |
2019 | 6,1 | |
2019 | 6,7 | |
2019 | 4,7 | |
2019 | 3,3 | |
2019 | 3,9 | |
2019 | 3,9 | |
2019 | 3,3 | |
2019 | 3,6 | |
2019 | 2,8 | |
2019 | 2,9 | |
2020 | 2,5 | |
2020 | 3,7 | |
2020 | 0,2 | |
2020 | -28,7 | |
2020 | -25,1 | |
2020 | -15,1 | |
2020 | -8,7 | |
2020 | -5,4 | |
2020 | -4,8 | |
2020 | -5,6 | |
2020 | -3,8 | |
2020 | -0,4 | |
'21 | 0,6 | |
'21 | 0,1 | |
'21 | 3,4 |
Het snelle herstel van het producentenvertrouwen is ook terug te zien in de productie van de industrie. In maart 2020 lag de gemiddelde dagproductie van de industrie nog op een relatief hoog niveau. Toen daalde de productie door de coronacrisis sterk en in mei 2020 werd een dieptepunt bereikt. Daarna trok de productie weer aan en lag in januari 2021 weer ongeveer op het niveau van voor de coronacrisis.
Jaar | Productie (2015=100) | |
---|---|---|
2008 | 101,7 | |
2008 | 101,7 | |
2008 | 99 | |
2008 | 101,5 | |
2008 | 99,9 | |
2008 | 100,1 | |
2008 | 98,5 | |
2008 | 97,7 | |
2008 | 97,9 | |
2008 | 98,5 | |
2008 | 93,7 | |
2008 | 89,4 | |
2009 | 90,6 | |
2009 | 88,3 | |
2009 | 87,8 | |
2009 | 87,7 | |
2009 | 89,7 | |
2009 | 88,7 | |
2009 | 89,3 | |
2009 | 89,4 | |
2009 | 91,7 | |
2009 | 91,6 | |
2009 | 91,3 | |
2009 | 91,3 | |
2010 | 94,2 | |
2010 | 92,6 | |
2010 | 96,2 | |
2010 | 95,7 | |
2010 | 95,6 | |
2010 | 96,7 | |
2010 | 96,2 | |
2010 | 96,4 | |
2010 | 96 | |
2010 | 97,2 | |
2010 | 98,6 | |
2010 | 97,3 | |
2011 | 100,5 | |
2011 | 101,9 | |
2011 | 99,7 | |
2011 | 98,6 | |
2011 | 98,8 | |
2011 | 98,4 | |
2011 | 99,2 | |
2011 | 98,6 | |
2011 | 99 | |
2011 | 97,9 | |
2011 | 98,1 | |
2011 | 100,2 | |
2012 | 99,9 | |
2012 | 97,7 | |
2012 | 102 | |
2012 | 98,3 | |
2012 | 98,1 | |
2012 | 98,7 | |
2012 | 97 | |
2012 | 98,8 | |
2012 | 97,6 | |
2012 | 96,4 | |
2012 | 98,4 | |
2012 | 99,4 | |
2013 | 96,6 | |
2013 | 96,1 | |
2013 | 96,9 | |
2013 | 97 | |
2013 | 96,2 | |
2013 | 97,4 | |
2013 | 96,6 | |
2013 | 97,2 | |
2013 | 97,5 | |
2013 | 98,2 | |
2013 | 98,9 | |
2013 | 101,2 | |
2014 | 99,8 | |
2014 | 100,7 | |
2014 | 97,6 | |
2014 | 100,2 | |
2014 | 97,8 | |
2014 | 96,3 | |
2014 | 99 | |
2014 | 98,4 | |
2014 | 98 | |
2014 | 98,1 | |
2014 | 98,6 | |
2014 | 98,1 | |
2015 | 99 | |
2015 | 100,2 | |
2015 | 99,7 | |
2015 | 99,7 | |
2015 | 99,5 | |
2015 | 100,6 | |
2015 | 99,9 | |
2015 | 98,8 | |
2015 | 99,3 | |
2015 | 101,4 | |
2015 | 101,5 | |
2015 | 100,4 | |
2016 | 101,9 | |
2016 | 101,1 | |
2016 | 102,1 | |
2016 | 103,4 | |
2016 | 102,1 | |
2016 | 103,3 | |
2016 | 102,9 | |
2016 | 101,7 | |
2016 | 102,3 | |
2016 | 102,5 | |
2016 | 105 | |
2016 | 106,3 | |
2017 | 103,1 | |
2017 | 105,5 | |
2017 | 105,2 | |
2017 | 104,6 | |
2017 | 106,6 | |
2017 | 106,1 | |
2017 | 106,1 | |
2017 | 105,6 | |
2017 | 107,3 | |
2017 | 107,7 | |
2017 | 109,7 | |
2017 | 110,4 | |
2018 | 110,5 | |
2018 | 109,4 | |
2018 | 109,4 | |
2018 | 109,4 | |
2018 | 109,6 | |
2018 | 109,3 | |
2018 | 107,6 | |
2018 | 109,3 | |
2018 | 109,1 | |
2018 | 109,6 | |
2018 | 110,2 | |
2018 | 107 | |
2019 | 109,6 | |
2019 | 109,2 | |
2019 | 108,8 | |
2019 | 108,9 | |
2019 | 108,5 | |
2019 | 107,3 | |
2019 | 107,5 | |
2019 | 107,8 | |
2019 | 109,5 | |
2019 | 109,7 | |
2019 | 108,4 | |
2019 | 106,5 | |
2020 | 109,8 | |
2020 | 107,8 | |
2020 | 106,5 | |
2020 | 97,6 | |
2020 | 96 | |
2020 | 98,5 | |
2020 | 102,6 | |
2020 | 103,4 | |
2020 | 103,1 | |
2020 | 105,4 | |
2020 | 105,3 | |
2020 | 106,4 | |
'21 | 108,9 |
Het herstel van de productie industrie ging samen met de aantrekkende export van goederen. In januari 2021 was het volume van de goederenexport bijna 4 procent groter dan in januari 2020. Dat was de grootste groei in een jaar tijd.
Jaar | Maand | %-verandering (%-verandering t.o.v. jaar eerder) |
---|---|---|
2017 | februari | 6,8 |
2017 | maart | 8,3 |
2017 | april | 0,7 |
2017 | mei | 4,6 |
2017 | juni | 10,7 |
2017 | juli | 7,1 |
2017 | augustus | 7,3 |
2017 | september | 7,9 |
2017 | oktober | 7 |
2017 | november | 7,1 |
2017 | december | 6,2 |
2018 | januari | 4,8 |
2018 | februari | 4,3 |
2018 | maart | 3,1 |
2018 | april | 6,2 |
2018 | mei | 5,3 |
2018 | juni | 0,4 |
2018 | juli | 2,7 |
2018 | augustus | 4 |
2018 | september | 3 |
2018 | oktober | 3,4 |
2018 | november | 0,4 |
2018 | december | 0,6 |
2019 | januari | 2,2 |
2019 | februari | -0,3 |
2019 | maart | 1,5 |
2019 | april | 1,7 |
2019 | mei | -0,1 |
2019 | juni | 0,7 |
2019 | juli | -0,1 |
2019 | augustus | 3,4 |
2019 | september | 1,4 |
2019 | oktober | 6,3 |
2019 | november | 2,3 |
2019 | december | 4,5 |
2020 | januari | 3,9 |
2020 | februari | 1,7 |
2020 | maart | -4,6 |
2020 | april | -13,3 |
2020 | mei | -11,8 |
2020 | juni | -3,2 |
2020 | juli | 0 |
2020 | augustus | -3,4 |
2020 | september | 0,7 |
2020 | oktober | 2,7 |
2020 | november | 1,1 |
2020 | december | -0,9 |
'21 | januari | 3,6 |
Waar de internationale handel in goederen en de productie van de industrie weer op peil zijn, werken de onzekerheid en de contactbeperkende maatregelen nog steeds nadelig uit op vooral de consumptie door huishoudens. Zo hebben in januari 2021 consumenten 13,5 procent minder besteed dan in januari 2020. Dat is de op een na grootste krimp ooit gemeten; alleen in april 2020 was de daling van de consumptie groter.
9. Conclusie
De krimp van de Nederlandse economie in 2020 was kleiner dan in de ons omringende landen (België, Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk) en ook kleiner dan gemiddeld in de Europese Unie. Dit kwam niet alleen door een minder strenge lockdown in het tweede kwartaal, maar vermoedelijk ook doordat de Nederlandse economie minder afhankelijk is van toerisme, de Nederlandse overheid relatief snel heeft gehandeld in het treffen van noodmaatregelen, en doordat de digitalisering in Nederland al voor de coronacrisis bovengemiddeld was wat telewerken en online-winkelen betreft.
De economische krimp in 2020 is voor drie kwart toe te schrijven aan de lagere consumptie (-6,4 procent). Consumenten hebben niet alleen de hand op de knip gehouden door onzekerheid over de economie of uit angst voor besmettingen, ze konden soms ook gewoonweg niet uitgeven bij gebrek aan beschikbare diensten.
Vooral de bedrijfstakken met veel intermenselijke contacten zijn getroffen door de maatregelen tegen de verspreiding van het virus. Het volume van de toegevoegde waarde van de horeca was door de verschillende lockdowns in 2020 bijna 41 procent lager dan een jaar eerder. Ook de krimp van de toegevoegde waarde van de bedrijfstak cultuur, recreatie, sport en overige diensten was in 2020 met 24,5 procent buitengewoon fors. De vervoersector, met vooral het openbaar vervoer en de luchtvaart, is ook sterk door de coronacrisis getroffen. In de zakelijke dienstverlening krompen vooral de uitzend- en reisbranche heel hard.
Het aantal faillissementen lag echter op het laagste niveau van deze eeuw. De omvangrijke steunmaatregelen van de overheid hebben hieraan bijgedragen. Ook het verlies aan werkgelegenheid is hierdoor tot op heden relatief laag gebleven. Het aantal werklozen liep in 2020 voor het eerst sinds 2015 weer op, maar de toename bleef beperkt. De werkloosheid onder jongeren liep het sterkst op.
De coronapandemie heeft vooralsnog niet geleid tot een afkoelende woningmarkt. Een bestaande koopwoning was in 2020 gemiddeld 7,8 procent duurder dan in 2019. Buiten de randstad stegen de prijzen het sterkst. Ook begin 2021 leek de prijsstijging niet te vertragen.
Door de coronacrisis kwam een eind aan een periode van ruim 3,5 jaar hoogconjunctuur. Inmiddels verkeert de Nederlandse economie al bijna een jaar in laagconjunctuur. De export van goederen is weer op het peil van voor corona, maar de onzekerheid en de contactbeperkende maatregelen werken nog steeds nadelig uit op consumptie en investeringen. Het vertrouwen van de industrie is begin 2021 weer positief en de productie weer op het niveau van voor corona.
Het consumentenvertrouwen ligt al maanden stabiel ver onder het langjarig gemiddelde. Het aantal nieuwe coronabesmettingen groeit sinds eind februari 2021 weer en ook de ziekenhuizenopnames lopen langzaam op, ondanks het vorderen van het aantal vaccinaties. Het verloop van de coronapandemie blijft ongewis en de onzekerheid over de economische vooruitzichten daarom groot.